Tips voor het ondersteunen én versterken van je kind

In dit blog vertelt Esther Monfils, een van de auteurs van Breinhelden en werkzaam bij De Praktijk4Kids, wat goede hulp voor een kind is. Hulp bieden is namelijk meer dan ondersteunen. Versterken is ook zeer belangrijk. We zijn soms geneigd kinderen of leerlingen dingen uit handen te nemen, de obstakels weg te vegen. Maar is een kind of leerling daarbij gebaat? In dit blog vertelt Esther hierover!

Als we kijken naar de ontwikkeling van kinderen dan zien we dat er een verschuiving plaatsvindt van ‘de volwassene doet veel voor het kind naar het kind doet het zelf’. Dat zien we thuis, maar ook op school. Dat is passend bij de breinontwikkeling. Hoe meer kinderen leren en hoe ‘groter’ ze worden, hoe meer ze zelf kunnen. Kinderen hebben dat nodig, het versterkt hun autonomie. Op het moment dat kinderen iets lastig vinden of moeite hebben met leren, valt op dat ouders, maar ook leraren geneigd zijn om weer heel veel voor een kind te doen en vooral een faciliterende rol aan te nemen, terwijl juist het zelf doen belangrijk is als je iets moeilijk vindt.

Goede hulp kenmerkt zich door een goede ondersteuning, facilitering, maar ook door het versterken van hetgeen een kind moeite mee heeft. Een voorbeeld: Jannes is erg chaotisch, al van jongs af aan. Dat merken leraren op school, maar zijn ouders thuis ook. Jannes’ moeder helpt Jannes bij veel dingen. Dit is ondersteunend. Alhoewel ze Jannes betrekt bij het inpakken van zijn gymtas, het opruimen van zijn kamer, ligt het initiatief hiertoe bij haar. Ook op school biedt de leraar veel structuur om Jannes de dag door te krijgen. Al deze ondersteunende maatregelen helpen Jannes uiteraard. Hij is taakgerichter. Maar zonder deze ondersteuning kan Jannes het niet zelf. Daarvoor moet de planning en organisatie van Jannes versterkt worden. Dat gebeurt niet als hij alleen maar ondersteund wordt. Naast ondersteuning moet er ook ingezet worden op versterking, want dan leert Jannes het ook echt zelf!

De leraar heeft verschillende adviezen gekregen. Het werken met structuurkaarten en stappenplannen gebeurt al. Als Jannes de stappen doorheeft, worden delen van de kaart afgeplakt of wordt de kaart weggehaald. Regelmatig vraagt de leraar de stappen en structuren na bij Jannes. Voor het op orde houden van zijn laatje heeft hij een ‘inrichtingsplaatje’. Op twee momenten in de week moet hij zijn laatje opruimen volgens het voorbeeld van de leraar. Gaat dit goed? Dan moet Jannes het doen zonder kaart. Regelmatig laat de leraar Jannes kijken of zijn laatje netjes is. Hetzelfde wordt gedaan voor zijn kluisje. Voor de rommeltjes die Jannes graag verzamelt (potloodpuntjes, kleine steentjes van het plein) krijgt Jannes een klein doosje. Past het niet meer? Dan moet er iets uit.

De moeder van Jannes heeft in een gesprek vergelijkbare tips en adviezen gekregen. Vooral het kamer opruimen leidt thuis tot conflicten, dus daar zijn ze begonnen!

Herkennen van een rommelige kamer

Wanneer vindt Jannes de kamer een rommel en wanneer vindt mama dat? Er worden foto’s gemaakt van een rommelige kamer. Gedurende twee weken zet Jannes’ moeder in op het herkennen van een rommelige kamer. Ze stelt vragen als: ‘’Jannes, is je kamer netjes of is het zoals op de rommelfoto’s?’’ Meer en meer herkent Jannes ‘rommel’. Extra: Opruimmeter maken.

Jannes’ moeder heeft ook een aantal foto’s van een opgeruimde kamer. Ze maakt samen met Jannes een plan. Daarvoor laat ze Jannes een lijn van links naar rechts op een vel papier trekken. Dat wordt geplastificeerd (een insteekhoes werkt ook). Ook een foto van Jannes wordt geplastificeerd. Er wordt een plakbandje (of stukje kneedgum) achterop de foto geplaatst. Links van de lijn wordt de rommelige kamer gehangen en rechts ervan een opgeruimde kamer. Het fotootje van Jannes beweegt op de lijn. Met deze meter blijft het herkennen van de rommelige kamer onderdeel van het plan van aanpak. En doordat het fotootje kan verschuiven, is het ook mogelijk om ‘veel rommel’ helemaal bij de foto links, of ‘een beetje rommel’ ergens halverwege aan te merken.

Tijd maken voor opruimen

Er worden twee vaste momenten per week gepland om de kamer op te ruimen als deze rommelig blijkt. Deze momenten worden samen met Jannes gepland. De moeder van Jannes koos ervoor om deze dagen op een bordje te schrijven en het bordje in Jannes’ kamer neer te zetten.

Opruimplan

Vooraf heeft de moeder van Jannes wat handige opbergers gekocht, zodat spullen ook daadwerkelijk een goede plek kunnen krijgen. Ook heeft Jannes’ moeder ervoor gezorgd dat hetzelfde soort speelgoed ook in dezelfde soort bakken zit. Jannes en zijn moeder maken de volgende opruimstappen:

Stap 1: Dingetjes/spulletjes die je bang bent om kwijt te raken tijdens het opruimen, waar je over twijfelt of waar je nog even geen plek voor hebt: leg op bed.

Stap 2: Welke groepjes speelgoed zie je? Gebruik eventueel verschillende plaatjes voor de groepjes om visueel te ondersteunen. Lego gaat in de legobakken, verkleedkleren gaan in de verkleedkist, autootjes gaan in de autobak, oude tekeningen gaan in de papierbak en de andere tekeningen mogen in de bewaarbak, enzovoort. Ruim zo groepje voor groepje alles op. Zorg ook voor een plek waar nog wat speelgoed mag blijven liggen, bijvoorbeeld op een kleed in de kamer. Als het kleed vol is, kan er niets meer bij of moet je keuzes maken wat er weg moet en wat in de kamer mag blijven liggen.

Stap 3: Ruim als laatste de dingetjes/spulletjes op die op het bed liggen.

Stap 4: Leeg je prullenbak als deze na het opruimen vol is.

Bij dit plan hoort ook een aantal afspraken zoals je ziet. Zoals het kiezen van speelgoed dat in de kamer mag blijven liggen (op het kleed). Hierbij geldt de regel: past het er niet bij, dan moet er iets anders worden opgeruimd. Zo leert Jannes ook ‘netjes houden’ gaandeweg.

De eerste paar weken heeft Jannes moeder veel vragen gesteld: Wat staat er op het plan? Welke groepjes speelgoed gaan we opruimen? Ze stimuleerde om Jannes zelf te kijken waar hij moest beginnen. Op het moment dat Jannes ging opruimen, hielp ze hem niet. Ze deed zelf een klusje, maar ze praatte hem er wel doorheen terwijl zij met haar klusje bezig was (‘’Welk groepje ben je nu aan het opruimen? Zeg maar welke groep je daarna gaat doen’’). Dit erdoorheen praten was na een aantal weken niet meer nodig.

Steeds meer zonder hulp

Na verloop van tijd bouwde de moeder van Jannes de hulp af. Dat deed ze op advies van De Praktijk4Kids op twee manieren. Door steeds een stap uit het stappenplan af te plakken en Jannes de stappen te laten verwoorden en zo te verinnerlijken, en door steeds minder en minder vragen te stellen en te sturen. Jannes ruimt op de vaste momenten geheel zelf zijn kamer op. Natuurlijk gaat het nog wel eens mis en dat mag ook! Gelukkig is er een plan waar op teruggevallen kan worden en wat gericht is op het Jannes het zelf laten doen.

Jannes bezocht De Praktijk4Kids wegens problemen met verschillende executieve functies. Uit onderzoek bleek er vooral sprake te zijn van problemen met planning en organisatie. Deze zijn bij De Praktijk4Kids behandeld middels een persoonlijk Breinheldentraject. Binnen het traject waren er ook een aantal gesprekken met ouders en school.

Denk je dat jouw kind ook moeite heeft met de executieve functies. Neem gerust contact met De Praktijk4Kids op. De psychologen en orthopedagogen helpen je graag. Kijk eens op: https://www.depraktijk4kids.nl/onderzoek-en-behandeling-naar-problemen-met-executieve-functies-bij-kinderen/

Esther

Esther studeerde in 2007 af aan de Universiteit van Leiden als orthopedagoog leerproblemen. Esther heeft een passie voor kinderen waarbij het leren niet vanzelf gaat en draagt haar kennis graag over aan onderwijsprofessionals. Dit doet zij met veel enthousiasme en energie. Esther heeft gewerkt als leraar en remedial teacher in het basis- en speciaal onderwijs. Esther verzorgt naast diagnostiek en behandeling ook trainingen voor leerkrachten en docenten over leerproblemen, (hoog)begaafdheid en executieve functies. Samen met Belinda is zij auteur van Breinhelden. Esther is geregistreerd bij het NVO en het SKJ.